1001004001522618
De wereld van gisteren
Stefan Zweig (1944, 2011)
Arbeiderspers, privé-domein
431 pagina’s, € 27,50

 

 

Amsterdam, 4 november 2015

Als geen ander kon Stefan Zweig bezingen wat hem dierbaar was en wat hij waardevol achtte. Met de stem van Clio, de muze van de geschiedschrijving, looft Zweig in De wereld van gisteren een verloren gewaand Europa.

Complimenten, herkenning en inspiratie

De non-fictie boekenclub was verguld met De wereld van gisteren.
‘De lezer wordt ademloos meegevoerd.’
‘Schitterend en beangstigend.”
‘Geweldig hoe Stefan Zweig je eerst overtuigt dat een bepaalde tijd fantastisch was, om er in het daaropvolgende hoofdstuk pittig commentaar op te leveren.’
‘Een prachtig boek dat doet verlangen naar een verenigd Europa.’
‘Onmogelijk om dit boek te lezen en níet te denken aan de toestanden in Griekenland en Syrië, en hoe regeringen tegenwoordig met schuldenaars en vluchtelingen omgaan.’
‘Help, de geschiedenis herhaalt zich.’
Daarover later meer. Eerst wat kanttekeningen bij Stefan Zweig zelf.

Copycat, pleaser, aansteller, hielenlikker

Michael Hofmann, een van de belangrijkste hedendaagse vertalers Duits-Engels, is bepaald geen fan van de wereldberoemde Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942). In een vernietigend stuk in de London Review of Books beschrijft hij Zweig als een kitscherige bestsellerauteur voor de bourgeoisie (zeg maar de ‘Ken Follett’ van zijn tijd) en noemt hij hem een copycat, een pleaser, een aansteller en een vals-bescheiden hielenlikker. Inderdaad maakt Zweig, zelfs voor liefhebbers, een wat kruiperige indruk. Hij zocht graag contact met illustere beroemdheden, was een begenadigd biograaf en vertaler en cijferde zichzelf vaak overdreven omzichtig weg als ‘klein en onbetekenend’. Hij verzamelde ‘bij wijze van hobby’ zeldzame parafernalia van dode geniën als Mozart, Goethe en Beethoven terwijl hij in werkelijkheid een professionele, museale collectie samenstelde van unieke handschriften, manuscripten en brieven.

Veracht door het literaire establishment

Overtreffende trap. Michael Hofmanns afkeer valt in het niet bij de bijna fysieke walging die Zweigs literaire land- en tijdgenoten voor hem aan de dag legden. Zo blijkt Robert Musil zonder spoor van ironie te hebben geweigerd om naar Zuid-Amerika te vluchten in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog omdat hij hoorde dat Zweig in Brazilië zat. Het continent was niet groot genoeg voor hen allebei. De door Zweig op een voetstuk geplaatste dichter Hugo von Hofmannsthal weerde hem steevast van belangrijke literaire festivals terwijl hij nota bene bij dezelfde uitgever zat.

stefanzweigalsmuzeclio

Op reis of op de vlucht?

Ook biograaf Oliver Matuschek, die in 2008 Stefan Zweig. Drie Leben. Eine Biografie publiceerde (in 2013 vertaald in het Engels, overigens niet door Michael Hofmann), schetst geen flatteus portret. Hij presenteert Stefan Zweig als een onzekere, getroebleerde en wat laffe man die de biezen pakte telkens wanneer zijn fijngevoelige standaarden van beschaving en beleefdheid werden gecompromitteerd. Van Oostenrijk naar Zwitserland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Van Oostenrijk naar het Verenigd Koninkrijk vlak voor de Anschluss. Van het Verenigd Koninkrijk naar Zuid-Amerika tijdens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Van zijn geïsoleerde leven in een Braziliaans bergdorp naar een zelfverkozen dood met zijn tweede vrouw Lotte. Volgens Matuschek geeft Stefan Zweig in De wereld van gisteren een zeer beperkt en niet geheel kloppend beeld van zichzelf: Zweig klopt zich enerzijds te veel op de borst (‘humble bragging’) en verzwijgt anderzijds te veel zaken die pijnlijk of beschamend zijn.

Een muze staat aan de zijlijn

Doet dit ertoe? Wie ook wat beweert over Stefan Zweig, zijn persoon en zijn literaire oeuvre, één ding kan niemand die De wereld van gisteren las ontkennen: Zweig was iemand die hevig kon bewonderen en die het talent bezat om anderen van zijn bewondering deelgenoot te maken. In andere woorden: Stefan Zweig was een muze in de klassieke betekenis van het woord. En muzen hebben een andere rol dan kunstenaars. Muzen staan aan de zijlijn en laten zien wat zich afspeelt op het speelveld. De wereld van gisteren is niet zozeer een autobiografie van Stefan Zweig als wel een hartstochtelijk eerbetoon aan het Europa dat hem na aan het hart lag. Dat was niet het Europa wat door stampende laarzen en vlaggengewapper in strijdende legers uiteen viel, maar het Europa dat zich door internationale ontmoeting en wederzijdse gastvrijheid wilde verheffen tot een algemeen gedragen cultuur van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zweig dacht dat dit laatste Europa verloren was. Mede om die reden pleegde hij in 1942 zelfmoord.

Een Europa om van te dromen

In Zweigs gedroomde Europa, vooral het Europa ten tijde van de Duitse Weimarrepubliek (1919-1933), worden mensen met een flinke dosis kosmopolitisme, vriendschap en kunst ‘ingeënt’ tegen intolerantie, xenofobie, nationalisme en door verveling ingegeven oorlogszin. In Zweigs Europa reizen mensen voortdurend van de ene stad naar de andere om met elkaar gesprekken te voeren, goede wijn te drinken, naar concerten te gaan, toneelstukken te zien, mooie boeken te schrijven en kunstwerken te scheppen. Zweig gelooft innig in de universele en verbindende kracht van kunst, in de bijna mystieke uitwerking die kunst kan hebben op mensen die zich daarvoor openstellen. Wie oog heeft voor schoonheid en respect heeft voor wat weerloos is kan niet worden meegesleept door een massahysterie die dit alles vernietigt.

Kunstenaars als dienaars van het hogere ideaal

Met name is Zweig onder de indruk van kunstenaars, alsof zij direct in verbinding staan met ‘het hogere’. Bijvoorbeeld vergezelt Zweig op een dag Auguste Rodin naar zijn atelier en ziet hij hoe de meester een kleine correctie aanbrengt en daarna obsessief aan het werk slaat, om zijn gast in het vuur van de creatiedrift vervolgens volkomen te vergeten (‘oh, bent u er nog steeds,’ vraagt Rodin verbaasd aan Zweig, die bijna een uur ademloos naar de hakkende, schurende en in zichzelf mompelende beeldhouwer heeft staan kijken). In De wereld van gisteren vertelt Zweig zwijmelend over zijn vele ontmoetingen met beroemde kunstenaars, componisten en schrijvers, van James Joyce tot Marcel Proust. Ook al schettert Zweigs loftrompet af en toe iets te luid, zijn generositeit, hoffelijkheid en beschaafd decorum jegens anderen is een verademing voor de moe-getwitterde, moe-gereaguurde, moe-geopinieerde en moe-gereclameleusde mediaconsument.

De kracht van muzische inspiratie

En dat is de kracht van de muze. De wereld van gisteren doet hunkeren naar de bedaarde stem van de bewondering. Hoe moeilijk is het om die, in de wereld van nu, te laten weerklinken? Eén compliment per dag doet wonderen, stellen ook de beoefenaars van mindfulness. En het compliment van vandaag is: als íemand een lans kan breken voor het in stand houden van Europa, voor het beschermen van ontheemden, voor het (her)investeren in kunst en het internationale debat – dat de grenzen dan niet alleen symbolisch zijn geslecht maar ook daadwerkelijk, en niet alleen voor vrij verkeer van handel en intellectuele elite – dan is het Stefan Zweig wel in De wereld van gisteren. Gelukkig was hij een bestsellerauteur die op zo’n meeslepende manier kon schrijven dat het voor niemand moeilijk was – en is – om van zijn teksten te genieten.

EEN BRIEFWISSELING OVER STEFAN ZWEIG ALS MUZE

Ha Teresa,

Mooi artikel over Zweig! Kunnen we ook weer aanhalen bij de langzame leesclub ivm de Musil-haat.

Grappig, jouw verklaring van het woord muze in het artikel over Zweig. Ik lees dat niet terug op de wikipediapagina en ken het zelf ook niet. Hoewel wikipedia er misschien een beetje onduidelijk over is, is het wel degelijk al vanaf het begin een term geweest die inspiratie aanduidt, voor zover ik weet. De rol die jij voor Zweig weglegt – mooi omschreven-, lijkt me meer die van het koor: aan de zijlijn, becommentariërend, met een duidelijke, beargumenteerde visie…

Interessant ook dat jij steeds terugkomt op die bewondering. Ik heb ’t natuurlijk nog niet uit, maar wat mij het meest bijstaat is de schets van de tijd, veel meer nog dan de mensen die hij ontmoet. En hoewel het memoires zijn, heb ik eigenlijk het idee dat hij iets breders probeert dan alleen zijn eigen leven weergeven. Dat zou ook mijn tegenwerping tegen de criticasters zijn: hij wilde niet zijn eigen leven zo goed mogelijk herverdelen, maar hoe de wereld om hem heen veranderde tijdens zijn leven. Dan zijn dus veel privé-voorvallen niet relevant.

Een klant wees mij op dit boek van Zweig: http://www.goodreads.com/book/show/18802908-shooting-stars Klinkt ook zeer interessant.

Liefs! Lot

Ha Lot!

Precies! De muze zit in de rol van koor. Daarom zijn de muzes, in de klassieke betekenis,

ook vaker met meerdere muzes samen. Ik ken iemand die zich bezighoudt met ‘muzische professionalisering’ dus daarom heb ik kennisgemaakt met het begrip ‘muze’. En ik denk ook, hoor, dat Zweig veel meer Europa beschrijft dan zichzelf. Die kritiek op het boek vind ik dus niet

terecht en dat zeg ik ook in de blog.

Liefs, Teresa

Ha Teresa!

Het bleef sudderen, het muze-vraagstuk. Voor mijn gevoel, namelijk, is de positionering van Zweig als muze een zwak punt in je mooie artikel.

Eén aspect is dit: je wil het begrip ‘muze’ in een andere betekenis gebruiken dan ons dagelijks taalgebruik. Dat maakt het moeilijk, omdat de algemeen gangbare betekenis van ‘muze’ in het hoofd van de lezer vastgeklonken is. Lovenswaardig dat je een vastomlijnd begrip wil losweken, maar dan heb je zware munitie nodig. In mijn hoofd, althans, gaat door je betoog de vaste betekenis niet rammelen.

Een ander aspect is dit: je plaatsing van de muze in het koor is, voor zover ik weet, niet te rijmen met de klassieke betekenis van beide ‘entiteiten’. De muzen maken deel uit van de godenwereld, zij het op een wat lager plan dan de oppergoden. De goden mengen zich alleen onzichtbaar in de mensenwereld. Oftewel: de Grieken schreven hen krachten toe, die ze niet anderszins konden verklaren. Een actieve rol, gebeurtenissen bezingen, is niet de rol van de muze. De muze treedt niet op, zij laat haar krachten gelden voor een kunstenaar. Daarom ook roepen klassieke dichters haar aan, zij hopen kracht, inspiratie, uit haar te putten.

Een koor daarentegen is geen goddelijke instantie. Ik kan me geen koor van goden herinneren, al is het lang geleden dat ik veel tragedies en secundaire literatuur erover las. Het koor interacteert, levert commentaar op de mensenwereld. Je zou kunnen zeggen: toont betrokkenheid op een menselijk niveau. Zo formulerend denk ik dat dat een groot verschil is tussen goden en mensen: de goden bekommeren zich vooral om zichzelf en hun eigen ego, eer en libido, mensen bekommeren zich (daarnaast) om elkaar en hun samenleving.

Dat verschil vloeit, bedenk ik me gaandeweg, ook voort uit hun beider aard. Als je onsterfelijk bent, zijn de lotgevallen van individuele mensen en tijdperken niet heel belangrijk voor jou.

Juist dat Zweig mensen bewondert en zich bekommert om zijn tijd, zijn volk, zijn taal, zijn thuis maakt hem zo sterfelijk, zo mens.

Ik kan me Zweig wel als muze voorstellen. Hij inspireert mij met zijn visie op de mensheid, met zijn schrijfkunst, met het belang dat hij aan cultuur hecht. Maar ik heb moeite Zweig als muze vanwege zijn rol als bewonderaar van anderen en als weeklager (ik kom niet op een beter woord) van zijn tijd. Nog anders gezegd: de rol die jij hem toedicht, past mijns inziens meer bij Homerus dan bij Clio.

Overigens leun ik bij dit schrijven onder andere op wat ik me herinner van The Fragility of Goodness van Martha Nussbaum, wat niet alleen een enorm goed boek over ethiek en goed leven is, maar ook een van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb. Een aanrader! Met name haar gedachten over de rol van het koor in de Griekse tragedie blijven me inspireren.

Groet! Lot

Ha beste Lot,

Dankjewel voor zo’n mooi, uitgebreid en inzichtelijk commentaar! Met jouw permissie: mag ik onze brieven onder de blog van Stefan Zweig plaatsen? Dit is een supergoede aanvulling!

Hoewel je helemaal gelijk hebt dat ik in mijn stuk te kort door de bocht ga om het goed uit te leggen wat Zweig in mijn ogen dan een klassieke muze maakt, toch zie ik hem nog steeds als Clio. Dat komt, denk ik, doordat hij zichzelf zo buiten de samenleving plaatst. Zweig positioneert zichzelf – ondanks alle ontmoetingen en vriendschappen – als een buitenstaander, iemand met een ‘vliedende’ aanwezigheid’ die dan weer hier woont en dan weer daar, zich ook nergens bij aansluit of aan commiteert. Zijn eigen mens-zijn zet hij eigenlijk ook buitenspel omdat zijn ‘geweeklaag’ (prachtig woord! – we zouden Nieuwe Dikke Van Dale Sessies moeten houden om dit soort woorden in zwang te houden) nooit over zichzelf gaat, zijn relaties met vrouwen, zijn gezin, zijn stervende moeder. Ik vind hem echt een bijna goddelijke aanwezigheid omdat hij werkelijk geen ‘deelnemer’ is. Hij gaat er zelfs prat op dat hij zo anders is dan zijn ‘zichzelf laten meeslepende’ vakbroeders. (Wat hem dus bepaald niet geliefd maakte, aldus die Michael Hoffman.)

In dit opzicht moet ik op mijn standpunt van ‘koor’ terugkomen. Ik dacht, toen je dat zei, aan het ‘koor’ zoals dat gebruikt wordt in klassiek theater en Shakespeare – wederom als de buitenstaanders die commentaar leveren op wat er gebeurt in het verhaal (op zo’n manier dat de toeschouwer zich beter kan laten meeslepen). De muzen zijn precies zo’n koor, werken ook vaak gezamenlijk als koor. In mijn beleving (maar waarschijnlijk is mijn kennis gewoon onvoldoende) interacteert een koor nauwelijks met de actie. Toch? (Overigens zit ik nu midden in het fantastische The People in the Trees en het personage dat ons het verhaal presenteert – die vriend van Norton Perina – is heel letterlijk een ‘koor’/chorus zoals jij zegt, iemand die ons met voetnoten telkens off-stage van insiderscommentaar voorziet – hij interacteert tot waar ik nu ben niet echt met de actie, in het begin een beetje, maar is er wel een onderdeel van.)

Het verschil met het muzische koor is dat de muzen verder gaan dan alleen beschrijven. Ze bewonderen en vertalen die bewondering naar iets wat ook anderen inspireert, zodat anderen gaan zien en voelen wat de muzen zien en voelen. Dit is inderdaad de rol van de kunstenaar! En Zweig doet dit in Wereld van gisteren met Europa. Zijn beeld van Europa is een beeld dat hem lief is. En nu ik er zo over nadenk vind ik Wereld van gisteren in dezelfde categorie vallen als Guernica van Picasso: een iconisch beeld dat een zekere visie van de kunstenaar uitdrukt, in beide gevallen een visie die gaat over een werkelijke gebeurtenis in de geschiedenis. (Haha, in dit opzicht is Picasso ook een muze.)

Overigens is Homerus toch ook een Clio?

Zo. En nu moet ik naar de Hema om mijn gisteren aangeschafte nieuwe wekker te ruilen – want die staat sinds ik het ding aanzette op half twaalf, terwijl de seconden toch voorbij tikken, en dat lijkt me niet de bedoeling 😉

Veel liefs en een mooie dag!

Teresa

Ha Teresa,

Leuk, je uitgebreide antwoord! Ja, je mag mijn mails erbij plaatsen! En mag ik je stuk linken op facebook? Ik word nl zo blij van deze doorwrochte discussie! Geeft lucht in mijn hoofd. Geestelijke stimulans.

Waar je een denkfout maakt, voor zover ik weet, is de gedachte dat iemand ‘een Clio’ kan zijn actieve zin. Ik vraag me af of het komt door deze zin: ‘Zing, godin, over de wrok van Achilleus van Peleus, de bron van dood en verderf die duizenden rampen bracht voor de Achaïers […]’, Vers 1 van de Ilias, nieuwe vertaling van Imme Dros. Hoewel Homerus hier de muze aanroept, is de muze verder niet aan het woord. Het is Homerus, die het verhaal vertelt. Zoals Imme Dros zelf aantekent: ‘Het aanroepen van de muze, de tot zangen inspirerende dochter van Zeus en Mnemosyne, was traditie […]’ (Ik ben in de winkel: bronmateriaal voorhanden, haha.) Er zijn mij geen voorbeelden uit de oudheid bekend, waarin een dichter/toneelschrijver schrijft als personificatie van een godheid.

De latere betekenis van het woord muze, de geheimzinnige, begerenswaardige, of anderszins aantrekkelijke vrouw die een kunstenaar inspireert, is niet zo ver verwijderd van de betekenis uit de klassieke oudheid. Alleen was de muze in de oudheid geen tastbaar figuur, geen echte vrouw, maar een metaforische krachtbron. Ik denk steeds tijdens deze conversatie aan het ‘Orm’, zoals dat voorkomt in De stad van de dromende boeken. Heb je dat boek gelezen?

Wat betreft het koor: ja, die betekenis van koor bedoel ik precies, hoor. Hun betrokkenheid bij de situatie bedoel ik in die zin, dat ze meeleven met de hoofdrolspelers in de tragedie. Vaak zijn het dorpelingen, als ik me goed herinner, bacchanten, vrouwen, ouderen… toeschouwers, maar wel toeschouwers die een verbinding aangaan met wat ze zien. Ik meende me uit minstens één van de tragedies die Nussbaum behandelt, te herinneren dat het koor een dialoog heeft met Antigone. Daarop was mijn interactie-opmerking gebaseerd, maar ik kan het bij Antigone niet terugvinden. Dus misschien is interactie niet het goede woord. Wat me zo is bijgebleven van Nussbaum’s bespreking van het koor is dat het koor de mogelijkheid bezit een situatie van meerdere kanten te bekijken en verdriet kan hebben over de schier onoplosbare, paradoxale situatie van een hoofdpersoon. Ik heb daar blijkbaar bij gefabuleerd dat zij daarover ook in gesprek gaan met, in dit geval, Antigone. In ieder geval beklagen zij haar (ja! Weer dat begrip. Mooi, dat wordt te weinig gedaan) om de onmogelijke keuze die ze moet maken.

Daarin vind ik ook dat Zweig op het koor lijkt. Daar vinden we elkaar in ieder geval.

Maar onze wegen scheiden wanneer je dan de muzen met het koor vergelijkt. Kun je me een voorbeeld van een muzisch koor uit de oudheid geven? Wat de muzen als groep, mijns inziens, van het koor onderscheidt is dat alle muzen een eigen rol hebben. Binnen het koor zijn er geen individuen, geen aparte persoonlijkheden, volgens mij.

Ik heb moeite met je (her)interpretatie van ‘muze’, omdat zoveel betekenistoekenning het begrip topzwaar maakt, volgens mij. Een muze is dan tegelijkertijd het oude begrip muze (inspirerende kracht) en een beschouwer, een kunstenaar, een inspirator, een exponent van zijn tijd… eigenlijk dat wat omschreven wordt door het begrip icoon. Al is er op dit moment geen Dikke Van Dale in de winkel om de precieze betekenis van ‘icoon’ op te zoeken. Ik ben het met je eens dat een icoon kan inspireren, maar bovenal wordt een icoon bewonderd.

Tot zover maar even. Ik zie je zo. Ben benieuwd of je een nieuwe wekker hebt, maar vond het toch een positief teken dat de wekker niet op vijf voor twaalf stilstond.

Liefs! Lot

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s