dewitteweg

De witte weg. Verslag van een obsessie
Edmund de Waal (2015)
De Bezige Bij
320 pagina’s, € 19,90

 


Amsterdam, 29 februari 2016

Een deelneemster van de Non-Fictieclub haalt een Brits krantenknipsel uit haar beduimelde exemplaar van De witte weg. Verslag van een obsessie (in het Engels heeft het boek opvallend genoeg twee titels: The White Road. A Pilgrimage of Sorts voor de Britse markt en The White Road. Journey into an Obsession voor de Amerikaanse). ‘Kijk,’ zegt ze terwijl ze wijst naar de grote portretfoto van de Britse kunstenaar/keramist/schrijver Edmund de Waal die bij het interview staat afgedrukt. We zien Edmund de Waal vanaf de rug terwijl hij langs rijen ongebakken potten in zijn atelier loopt. Achter hem, vooraan op de foto dus, loopt zijn hond. Ook die zien we van achteren. ‘Met een heel grote zwiepstaart!’ zegt de deelneemster met een grote glimlach.

Zou het haar zijn opgevallen als ze niet eerst het boek gelezen had? De zwiepstaart in het porseleinatelier. Als Edmund de Waal één obsessie heeft, duidelijk een persoonlijke queeste, dan is het mensen aanzetten tot aandachtig observeren: wat is er te zien – en wat niet? Wat gebeurt er – en wat niet? Wat wordt hier verteld – en wat niet? Wat lijkt duidelijk – en wat eigenlijk niet?

De Waal is meesterkeramist en maakt grote installaties van soms wel duizenden stuks porselein en aardewerk die hij zelf maakt aan de draaischijf. Deze objecten (bijna allemaal wit of wittig, heel soms zwart) plaatst hij vervolgens in speciaal ontworpen vitrines van allerlei formaten, dik en robuust, rank en slank, hoog of juist laag. Sommige van deze vitrines hebben gewoon glas, andere matglas waardoor een heel mooi soft focuseffect ontstaat. De Waal noemt zijn werken ‘composities’ en dat lijkt een vrij kloppende beschrijving. De link met muziek en poëzie, met ritme en sensualiteit, is in zijn beeldend werk evident.

Dezelfde methode hanteert hij als schrijver. Hij bouwt een basisstructuur – helder omlijnde delen en hoofdstukken met een eigen thema – en vult die vervolgens met meanderend, schetsachtig gebabbel over porselein, alchemie, machthebbers, vuurovens, zijn reizen naar porseleinbergen in China, Dresden en Plymouth, slapeloze nachten, ademhalingsoefeningen en stress over een op handen zijnde tentoonstelling in New York. In tekst werkt dit minder goed dan in beeld. Lukt het De Waal om in kunst precies genoeg informatie te geven en te verhullen voor een krachtig beeld; in literatuur slaat hij vaak de plank mis en zwiept hij zijn eigen bouwsels omver. ‘Hij draait eromheen,’ benoemt een deelnemer, ‘net als zijn pottenbakkersschijf.’ Dat gebeurt telkens wanneer hij de lezer confronteert met too much information (bijvoorbeeld zijn koffieverslaving) en tegelijkertijd opzadelt met too little (waarom die koffieverslaving dan vermeldenswaardig is). Heeft hij zijn reisaantekeningen en dagboekreflecties ongeredigeerd overgenomen? Zat zijn redacteur te slapen?

De tekst kent een grote mate van onhandigheid,  is hier en daar overdramatisch en soms ronduit knullig. Literature of sorts. Desalniettemin kan Edmund de Waal zijn lezers wel meevoeren en boeien. We blijven met hem meegaan helemaal tot aan het laatste deel waar hij belandt in voormalig naziconcentratiekamp Dachau, waar Heinrich Himmler porseleinen figuurtjes, SS-serviezen en andere Derde Rijk-parafernalia liet produceren om cadeau te doen aan Adolf Hitler. Immers is geen Groot Leider een Waanzinnig Groot Leider zonder een overdaad aan onbetaalbare porseleinen objecten in de opslag. Denk aan Chinese keizers, Russische tsarina’s en Franse zonnegoden.

Misschien doet het er niet toe dat de tekst onvolkomen is en geen Nobelprijskwaliteit heeft. Misschien ligt de charme van deze tekst in het doorwerken ervan in het (onder)bewustzijn. Zo werden alle leden van de Non-Fictieclub overvallen door een onverwacht Eurekamoment vlak nadat zij in dit boek hadden gelezen. Een vraag op wetenschappelijk terrein die al tientallen jaren in het hoofd knaagde omdat er ‘iets aan de kwestie niet klopte’ werd ineens beantwoord. Een lang gevoelde behoefte aan tastzin en iets creëren met de handen kon ineens worden gekoppeld aan de beroepspraktijk en hoe bepaalde leerprocessen met lichaamswerk worden verrijkt. En een diep onderdrukte wens om te scheppen, gewoon, om iets te maken wat zowel mooi als betekenisvol is, kreeg ineens ruimte – ademruimte, zou De Waal wellicht zeggen – om er, gewoon, te zijn: zitten, doen, het laten gebeuren.

Lees dit boek het best als een mantra, een tekst die extra sensitiviteit met zich meebrengt, meer dan extra kennis. De kleur wit en wat wit betekent, of wat wit betekent voor Edmund de Waal als kunstenaar, komt in de tekst nauwelijks aan de orde. Sterker: hiervoor hebben we aan twee genoemde citaten van schrijver Herman Melville voldoende en is alles wat De Waal schrijft maar een mager aftreksel, een misbaksel, zeg maar (om bij het onderwerp te blijven). De Waal biedt ons een schervenberg van woorden en laat ons daar wankelend overheen klauteren, zoals hijzelf over de Chinese, Duitse en Britse bergen met porseleinscherven wiebelde. En die tocht is de ware pelgrimsreis: dat je doorklautert en plotseling weg glijdt omdat Edmund de Waal je onhandig en onbedoeld een zwiep geeft met zijn spreekwoordelijke Lassiestaart. Voor mij kwam dat moment bij Bambi uit Dachau.

ALLACH-FAWN-front-1

 

 

 

Advertenties