Bij 220 kilometer per uur zijn de Duitsers het hoffelijkste volk van Europa en daarom kan hij in hoge snelheid immer gerade aus. De ontspannen beheersing van zijn mede-automobilisten kalmeert hem alsof alle Menschen werkelijk Brüder waren. We vormen een stoet edele ridders op wielen, een lint van knipperlichten onder een erehaag van verkeersborden. We zijn heer en meester in dit weidse landschap. Kijk eens wat wij allemaal tot stand hebben gebracht.

Op de automatische piloot volgt hij de Mercedes voor hem. De bestuurder is ongeveer van zijn leeftijd en heeft een kleuterzitje achterin, net als hij, maar het haar is beter geknipt en de kin gladder geschoren. Hij vermant zich. Een heldhaftig deserteur ontsnapt van het thuisfront hoeft zich niet te schamen voor ongewassen krullen. Driftig haalt hij in.

Weg is hij. Weg. De half afgebouwde koopwoning kan hem gestolen worden. Zijn ex, dat k-wijf, met haar nieuwe kunstenaarsvriend, die natuurlijk bestaanszekerheid wil ontlenen aan de alimentatie die hij mag ophoesten, ja doei, ze kunnen zijn rug op. Hoe moet hij zoiets betalen. Zijn baan, luizig als die is, staat op de tocht. Hij heeft geen keuze dan de ballast afwerpen. Zijn telefoon ligt buiten Bremen in de berm, zijn bankpasjes in een rivier waarvan hij de naam niet kent. Laat het nieuws morgen bekend worden. Vandaag maken we een reis op geruisloos Duits asfalt, superieur, alsof we zweven op oneindigheid. We hebben zakken snoep en broodjes currywurst tot Sint-juttemis. We gaan tot waar de benzinetank ons brengt.

Tot hier, blijkbaar.

‘Nou.’

Hij trekt aan de handrem.

‘Kom jongens, we gaan de eendjes voeren. Trek jij je kikkerlaarzen aan, man? Kwaak kwaak! Jij ook, Anne? Laat Leeuwtje op de achterbank. Goed, vooruit, voor deze keer. Papa pakt even wat uit de kofferbak. Ga maar vast. De eendjes zijn daar.’

Hij haalt adem en kijkt om zich heen, het rietland, de struiken vlakbij, de door de wind scheefgegroeide bomen in de verte, de auto op de vluchtstrook, overal gras, de melkwitte pluizenbollen die giechelend naar het water rennen. Ergens daarachter zal Nederland liggen. Zijn linnen gympen slippen weg in de gladde prut – (Shit.) ‘Ik kom eraan!’ – koud vocht bereikt zijn sokken en zuigt zich via zijn spijkerbroek omhoog naar zijn enkels. Hoe zwart is de aarde. Het is hem niet eerder opgevallen. Hoe zwart, soepel en wonderbaarlijk kruidig, hoe vitaal en levend, hoe uitnodigend.

Hij ritst de sporttas open, pakt het zakje boterhammen en geeft het aan zijn kinderen. ‘Als we gooien komen de vogels vanzelf.’ Hij scant de lucht. Staalblauw en hoog en ver. Stukjes brood als veel te zware sneeuwvlokken. Roze vingertjes die wijzen naar kringen in het wateroppervlak. En terwijl hij de bijl in zijn handen balanceert, met de oranje prijssticker er nog op, borrelt lichtheid omhoog die stil uiteenspat in zijn open mond. Hij had verwacht dat er nu van alles door hem heen zou gaan. Maar tederheid? Nee.

Advertenties