salamanders

Op de middelbare school kregen we in de vierde klas een speciale opdracht voor de leeslijst Engels. Speciaal, want we moesten die ieder voor onszelf samenstellen: vijf boeken met een overkoepelend thema naar eigen inzicht. Ik koos ‘dystopia’ en las dienovereenkomstig vijf boeken – op mijn beïnvloedbare zestiende – die zo resoneerden met waar ik destijds veelvuldig over nadacht, dat ik nu, terugkijkend, kan concluderen dat deze boeken de toon hebben gezet voor mijn hele verdere intellectuele ontwikkeling (naast de boeken van Jane Austen, die ik als pubermeisje verslond voor mijn plezier). De boeken waren 1984 van George Orwell, Brave New World van Aldous Huxley, A Clockwork Orange van Anthony Burgess, Lord of the Flies van William Golding en God’s Grace van Bernard Malamud. (Wees gerust: ik was verder een heel vrolijk iemand die bijna elke dag met vriendinnen in haar broek piste van het lachen.)

Voor George Orwell, na George Orwell 
(alles is anders en niets is veranderd)
Week 52, 2015 

Oorlog met de salamanders
 Karel Čapek (1936)
 Wereldbibliotheek, 282 pagina's
 Sciencefiction

The Heart Goes Last
 Margaret Atwood (2015)
 Bloomsbury Publishing, 320 pagina’s
 Sciencefiction

Wat me toen vooral bezighield, als middelbare scholiere, was niet zozeer het ‘vergaan van de wereld zoals we die kennen’ maar het schijnbaar onnadenkende kuddegedrag van de mensen om me heen, met name familieleden, dat me beangstigde omdat ik bang was dat ik eraan zou moeten meedoen om niet buitengesloten te raken. Ik vroeg me af of het mogelijk was om ‘erbij te horen’ wanneer je eigenlijk anders was – of er eigenlijk andere ideeën op na hield.

‘Hardliner’ George Orwell was daarbij voor mij de belangrijkste auteur, hoewel ik het boek van de wat ‘zachtaardiger’ Bernard Malamud het mooiste vond. Orwells visie op de hechte relatie tussen wereldbeeld en taal, wereldbeeld en grafisch ontwerp, (politieke) dictatuur en psychologie kon ik instinctief bevatten, al kon ik het rationeel niet op een rij zetten (ik was daarvoor te jong en onwetend). Het was mijn eerste kennismaking met begrippen als propaganda en wat we tegenwoordig noemen ‘framing’, ‘priming’ en ‘neurolinguïstisch programmeren’. De dystopie in 1984 is een totalitaire informatiemaatschappij waar nietsontziende marketing een despotisch stempel drukt op de psyche van alle mensen behalve de politieke elite en de ’waardeloze’ laagste klasse (proles). Ik kan niet naar het bekendste portret van Steve Jobs kijken zonder te denken aan Big Brother en aan het feit dat bijna iedereen ter wereld tegenwoordig een interactieve ‘telescreen’ op het lichaam draagt.

De Tsjechische schrijver Karel Čapek (1890-1938) was George Orwell’s ‘George Orwell’. Čapeks boek Oorlog met de salamanders maakte zo’n indruk op Orwell dat hij zich erdoor liet inspireren voor zijn eigen werk, het meest letterlijk voor zijn roman Animal Farm (1954) waar uitgebuite dieren, net als in Oorlog met de salamanders, in opstand komen tegen de mens.

Oorlog met de salamanders herbergt veel Orwelliaanse concepten, met name de modus operandi van politiek-economische macht en exploitatie. In het boek wordt op een archipel in de Stille Oceaan een manshoge salamandersoort ontdekt die veel lijkt op mensen. Deze mens-salamanders blijken snel te kunnen leren en hebben in mum van tijd door hoe ze kunnen communiceren, hoe ze gereedschap hanteren en hoe ze machines bouwen. Simultaan hebben grote kapitalistische ondernemers direct in de gaten dat ze met de salamanders zijn gestuit op gratis arbeid. Een paar later: na een revolutie van miljoenen door de industrie opgekweekte en misbruikte salamanders is de wereldpopulatie verdeeld in landdieren (waaronder mensen), zeedieren (alles in de oceanen) en amfibieën (mens-salamanders die aan de kustlijn leven en deze met explosieven steeds groter maken).

Čapek publiceerde het boek in 1936 en hoewel hij vooral een mogelijk nieuwe wereldorde onderzocht onder invloed van industrieel kapitalisme, Russisch staatscommunisme, fascisme en nazisme, is Oorlog met de salamanders nog steeds actueel. Immers is een belangrijk thema van de huidige tijd nog steeds (over)exploitatie van arbeid, gratis, goedkoop, al dan niet dwang-, en natuurlijke hulpbronnen. Hoe komt het dat de meeste mensen dit helemaal niet willen – dat de meeste mensen van mening zijn dat de biosfeer en de samenleving grote, wellicht onherstelbare schade oplopen door het grootkapitaal – en dat het tóch gebeurt?

Voor een antwoord kun je Čapek en Orwell lezen.

En ook Margaret Atwood. Haar laatste boek The Heart Goes Last is een eigentijdse, satirische variatie op 1984, inclusief panopticum-surveillance en sex crime.

The Heart Goes Last gaat over een Amerikaans echtpaar dat volledig aan de grond zit na het uiteenspatten van de subprime hypothekenbubbel, de daaropvolgende financiële crisis en de daaruit voortvloeiende torenhoge werkloosheid. Ze wonen platzak in hun auto, die ze met hand en tand moeten verdedigen tegen diefstal (seks is daardoor onmogelijk, want een van hen moet bij het stuur slapen). Ze rijden van openbaar toilet naar openbaar toilet om zich te wassen. Op een dag zien ze een reclame van een corporatie die zes maanden gratis woning en levensonderhoud aanbiedt met als tegenprestatie zes maanden doffe dwangarbeid in de gevangenis. De corporatie heeft een gouden bedrijfsformule gevonden: de stad waarin zij zich heeft gevestigd is in één klap verlost van werkloosheid en criminaliteit. Het echtpaar grijpt de kans met beide handen aan, maar komt ondanks alle comfort en zekerheid al snel van een koude kermis thuis. Het gevangeniswezen is hen toch wat te restrictief. Bovendien houdt de corporatie zich bezig met schimmige zaken zoals malafide orgaanhandel en seksindustrie.

In tegenstelling tot 1984 kent The Heart Goes Last een hilarisch einde (trouwens is de titel een verwijzing naar Room 101, de laatste en ergste martelkamer in 1984, waar het hart van de gemartelde letterlijk wordt gebroken zodat het laatste beetje dat aan liefde overblijft op Big Brother kan worden geprojecteerd). The Heart Goes Last ontaardt in een bizarre klucht met prostitutierobots, Elvis- en Marilyn Monroe-klones en een Theater van de Lach-ontknoping in Las Vegas.

Dystopische literatuur gaat volgens mij altijd over een samenleving die mensen bang, onzeker, ongelukkig en agressief maakt. Onderdrukking en uitbuiting ontstaan wanneer mensen radeloos zijn, geen werk, huis en toekomst hebben, geen perspectieven zien, geen mentale ruimte vinden om een uitweg te zoeken uit precaire situaties, zich uitsluitend moeten bekommeren om puur overleven: waar slaap ik morgen, wat eet ik vanmiddag, kom ik nog schoon water tegen, hoe bescherm ik me tegen bewapende belagers? Daar kan misbruik van worden gemaakt door ‘the people in power’.

Echter zijn honger, onveiligheid en uitzichtloosheid een even vruchtbare voedingsbodem voor emancipatie en innovatie. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Daarom is macht die zich stoelt op de ellende van anderen bij voorbaat niet de zekerste. In die zin kan uit dystopische fictie behoorlijk wat hoop worden geput. Kijk naar de opstand van de salamanders! Misschien is dystopische fictie daarom, ondanks alle intens deprimerende aspecten, vooral geschikt voor optimisten. (En was ik als middelbare scholiere minder zwartgallig dan ik vreesde.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s